15. In gesprek met een kolonist

Vorige week zaterdag gingen we olijven plukken in Tikoa, een slaperig dorpje in de buurt van Beit Sahour. Kolonisten hebben vlakbij Tikoa een nederzetting gebouwd. We werden agressief door Israëlische soldaten bejegend, en op mysterieuze wijze bleek er geen boom te bekennen te zijn waar nog olijven aan hingen. Uiteindelijk hebben we de velden maar zonder olijven verlaten.

Na het middageten was er een lezing van het Jerusalem Research Institute in Bethlehem. Op de valreep hoorde ik echter dat Lesh en Lizzy, een sympathiek Engels stel uit Southampton, terug wilden keren naar de olijfvelden. Ze wilden namelijk in gesprek komen met kolonisten. Nou, dat klonk bijzonder interessant! Ik beschouwde het ook als een buitenkans. Ik vermoed dat het in mijn eentje niet zo verstandig zou zijn om me naar een nederzetting te begeven. Maar bij hen – Lesh was oud-beroepsmilitair, en oogde nog steeds potig – voelde ik me absoluut veilig.

Terug naar de kolonisten!

Toen ik van hun plannen hoorde, bedacht ik me geen moment. Ik sprong de bus uit en voegde me bij hen. Zodra de bus weggereden was, daalde de stilte op ons neer. Daar stonden we met z’n drieën, in een felle zon, in een loom Arabisch dorpje. Er kwamen daar nooit toeristen. Daardoor vormden we een zeldzame bezienswaardigheid. Binnen de kortste keren kwamen uit alle hoeken en gaten van het dorpje kinderen aanrennen. Joelend en schreeuwend troepten ze om ons heen. Het stralende licht, de zandgele stenen huizen, het opgewonden lawaai van de kinderen dat tegen de muren van de huizen weergalmde, de nieuwsgierige vrouwen die achter de ramen van hun huizen verschenen – het was alsof ik op een filmset was beland.

Lesh vond het niet zo’n goed idee dat al die kinderen ons achtervolgden. Want wat zou er gebeuren als we met hen bij de kolonisten aankwamen? We besloten om aan een paar volwassenen in de buurt te vragen of ze de kinderen terug konden sturen. Maar ja, hoe moest dat? Want niemand kon hier ook maar een woord Engels. Het was dus weer tijd om mijn Arabisch te oefenen… “Wij willen gaan naar Israëliërs. Praten voor Palestijnen. Kinderen hier met ons – wij denken dat niet goed! Wil je vragen: zij terug?” En, ongelooflijk maar waar: dat werkte! In dit vreemde land, in het hart van het Midden-Oosten, bleek dit de sleutel te zijn om die kinderen weg te krijgen. Als ik dit aan een vrouw of een winkelier vroeg, begonnen ze in rad Arabisch te ratelen en te gebaren – en vervolgens verdwenen de kinderen op een holletje. Dat gaf me een enorme voldoening.

Een bijzonder moment: een jongetje dacht dat we Israëlische kolonisten waren. Want wat konden niet-Arabieren anders zijn? Hij begon echter geen stenen naar ons te gooien. Hij riep: “Shalom!” Dat is Ivriet voor ‘vrede’. En dat terwijl er een paar kilometer verderop een nederzetting lag, en olijven werden gestolen. Zo kon het dus ook.

Picknicken voor de nederzetting

Na een dik uur in de brandende zon door de heuvels gewandeld te hebben, landden we bij de nederzetting aan. Er kwamen meteen weer twee gewapende soldaten aanlopen. Lesh ging met een zak koekjes op hen af om een praatje te maken. Ze waren daar echter niet voor in, en kolonisten lieten zich helaas niet zien. Op een gegeven moment zeiden de soldaten dat we weg moesten gaan. We besloten toen om ons honderdvijftig meter verderop op een rots te installeren. We maakten een picknick klaar, en Lizzy pakte haar tekenspullen om het prachtige uitzicht te vereeuwigen. De soldaten hielden ons nog een tijdje in de gaten. Toen verdwenen ze in hun wachttoren. We hoorden even een metalig geklik. “O,” zei Lesh op kalme toon, “Ze ontladen hun machinegeweren. Die hadden ze dus al die tijd op scherp staan.”

Na anderhalf uur besloten we dat we er vandoor wilden. We wilden nog één keer proberen om met kolonisten in contact te komen. We gingen ditmaal gedrieën richting de soldaten. Die meteen weer tevoorschijn kwamen. Ze waren piepjong! Waarschijnlijk waren ze nauwelijks achttien. Lesh maakte op zijn guitige en innemende wijze een praatje en geintjes met hen – en ineens transformeerden ze van militairen tot onhandige achttienjarige pubers met een veel te groot geweer. Toen vroeg Lesh of we via de interne kolonistenweg naar de officiële nederzetting konden lopen. Meteen was het antwoord: “Of course you can!” Zo kon het gebeuren dat we ineens op een officiële kolonistenweg liepen…

Aan de wandel over kolonistengrond

Naar het hart van de nederzetting was het een flink eind lopen. Het punt waar wij naar binnen geslipt waren was een onofficiële uitbreiding. In Israël is het een regel dat als je ergens drie jaar woont, de grond dan van jou wordt – óók als het grond op de Palestijnse Westoever betreft. Veel nederzettingen beginnen dus met een soort caravans waarin de kolonisten een tijd verblijven. Zodra een paar kolonisten overigens ergens een caravan neerzetten, wordt er naast hen een legerpost geënstalleerd om hen te beschermen.

Eerst kwamen we langs een hele serie caravans. Die zagen er behoorlijk sober, om niet te zeggen groezelig, uit. Zo hier en daar zag je kolonisten lopen. Allemaal droegen ze zonder uitzondering forse geweren; die zijn voor kolonisten toegestaan. Met Lesh was het enorm lachen. “Look to those settlers! They look so poor! Let’s pick them some olives.” Zo ging het aan één stuk door.

Kolonist: “I know you!”

Terwijl de zon achter de bergtoppen verdween, wandelden we door een diepe vallei naar het al langer bestaande gedeelte van de nederzetting. Toen we bij de grens aankwamen, was er weer een wachtpost. Een met machinegeweer bewapende kolonist kwam met een stomverbaasd gezicht naar beneden. “How did you get here?” vroeg hij ons. “Did they let you in?” Ja dus! We maakten een praatje over de omgeving. Wij zeiden om het hardst dat het hier zo mooi was (wat ook waar is!). Die kolonist stemde daar van harte mee in. “Oh yes! I enjoy every day here! The nature is so beautiful, with the hills and the animals. It’s so much better than in the city, you know. There is space here. And at night, it’s so quiet!”

Hij zag eruit alsof hij verder niet zo veel zin had in een praatje. Op de valreep vroeg ik nog snel: “Woon je hier?” terwijl ik op een grauwe, overduidelijk niet voor woondoeleinden bestemde keet naast de wachttoren wees. Nee, natuurlijk niet. Lesh pakte de draad toen bliksemsnel op, en we kregen het over de nederzetting. Na een paar minuten werd de wachter nieuwsgierig naar ons. Hij vroeg wat onze achtergrond was. Eerst was Lesh aan de beurt. Toen keek hij mij aan. Hij zei: “I know you! I saw you last week on the bus station in Jerusalem.”

Dat was een vreemde gewaarwording. Ik schrok ervan. De week daarvoor was ik daar inderdaad geweest; ik ging toen met de bus naar Tel Aviv. Inmiddels ben ik eraan gewend dat iedereen in Bethlehem en Beit Sahour mij kent. Toen ik bijvoorbeeld bij een bierfestival (!) in de buurt van het islamitische, behoudende Ramallah was (een dik uur rijden verderop) , kreeg ik een lift aangeboden van een Bethlehemmer, die ik nog nooit gezien had maar die mij wel bleek te kennen. En toen ik in Bethlehem gevallen was, bleek dat een week later tot in de verste uithoeken van Beit Sahour bekend.

Maar met Israëliërs is het anders. Er is een enorme kloof tussen de Palestijnse dorpen en de Israëlische nederzettingen. De nederzettingen worden omringd door hekken en zwaarbewaakte militaire zones, en kolonisten hebben gewoonlijk eigen (snelle en goed onderhouden) verkeerswegen die niet voor Palestijnen toegankelijk zijn. Zo hoeven kolonisten op de Westoever geen Palestijn te zien. En net als Palestijnen zie of spreek ik dus nooit een kolonist. Dat een kolonist, nota bene bij een olijfboomgaard waaruit alle olijven ‘verdwenen’ waren, bleek te weten dat ik een week eerder op het busstation in Jeruzalem was – ja, dat was heel vreemd.

Tevoren had ik me erop voorbereid dat er pittige gesprekken zouden komen; dat het niet een aangenaam samenzijn zou worden. Maar deze kolonist, hij was achterin de dertig, had een open gezicht en zachte bruine ogen. Hij was zelfs een beetje verlegen. Hij had op de een of andere manier iets aandoenlijks. Tegelijkertijd had hij zulke vreemde ideeën over Palestijnen. Dat was een onwerkelijke combinatie.

“Palestijnen klagen en zijn niet te vertrouwen”

Die man, Jakov heette hij, vertelde dat Palestijnen steeds moord en brand roepen – maar geheel ten onrechte. “In iedere joodse stad vind je Palestijnen! Zij hoeven nergens voor te vrezen. Maar als joden zich in een Palestijns dorp zouden wagen, zouden ze meteen vermoord worden!” Ik wilde hem vragen hoe hij aan deze informatie kwam; maar hij liet me niet aan het woord. Hij wees achter ons. “Kijk, zie je die nieuwe huizen? Die bouwen de Palestijnen met geld dat ze verdienen in onze nederzetting! Ze hebben het goed, hoor.” Jakov bleek een soort bouwopzichter te zijn. “In onze nederzetting is het verplicht dat als er Palestijnen aan het werk zijn, er toezicht op hen gehouden wordt door een gewapende inwoner van de nederzetting. Daardoor ken ik veel Palestijnen. Ze zijn mijn vrienden! Ze komen al jaren bij mij thuis, ze krijgen thee van mij! Andersom zou dat onmogelijk zijn.” Ik vroeg hem, als hij hen als vrienden beschouwde, waarom hij dan dacht dat hij toch vermoord zou worden als hij in een Palestijns dorp kwam. “Dat doen ze gewoon!” Maar zouden zijn vrienden hem dan niet beschermen? “Nee!” Maar vertrouwde hij hen, zijn eigen vrienden, dan wel? “Absoluut niet! Ik keer ze nooit mijn rug toe.” Het begrip ‘vrienden’ bleek dus betrekkelijk te zijn.

“Ze willen ons land en onze huizen inpikken”

Daarna kregen we het erover van wie het land nu eigenlijk was. Jakov wees weer naar het Palestijnse dorp in de verte. “De Palestijnen willen onze huizen inpikken! Ze zijn erop uit om ons uit onze mooie huizen te verjagen. Maar die moeten ze zelf maar bouwen!” Maar van wie waren die huizen dan? “Die hebben wij gebouwd!” En wanneer? “Nou, zo’n dertig jaar geleden.” En wie woonde er dan voor die tijd op deze grond? “Die Palestijnen.” Was er dan sprake van dat de Palestijnen de huizen of grond van de Israëliërs wilden afpakken, of was eerder andersom? Jakov: “In de bijbel staat dat dit land voor ons is bedoeld. Het is dus van ons.”

Daarmee kwamen we uit bij het volgende gespreksonderwerp. Ik voerde aan dat volgens het christendom niet de mens eigenaar is van de schepping, maar God. Het zou dus niet aan de orde moeten zijn van wie welk stukje land is; het is van ons allemaal. Dat ging er bij Jakov echter niet in. Hij bleef erbij dat de joden recht hadden op Israël, inclusief Westoever.

We kregen het over de olijven. Lesh vertelde op zijn ontwapenende en guitige wijze dat we vol goede moed richting de olijfgaarden hier in de buurt waren getogen, maar dat er nauwelijks een handvol olijven te vinden was. Terwijl we in de voorgaande dagen honderden kilo’s hadden geplukt. Hij vroeg Jakov wat hij daar nou van vond. Jakov: “Ik snap niet waarom de Palestijnen zo moeilijk doen over de olijven. Waarom zouden ze gevaren riskeren om olijven te plukken? Ze zouden moeten denken aan hun familie!”

“Liefde en universele waarheid”

Toen vertelde Jakov dat het land Israël met liefde was gebouwd. “En in dit land gaan steeds meer mensen op zoek naar universele liefde en de echte waarheid van het bestaan. Materialisme wordt minder belangrijk. We groeien toe naar een nieuw tijdperk.”

Nou, daar wilde ik meer over weten! Ik vertelde hem over de boer voor wie we twee dagen eerder hadden geplukt; hij was van zijn velden afgesneden doordat de Israëlische overheid een kolonistenweg dwars over zijn land had aangelegd. Ik vroeg Jakov hoe hij universele liefde en de ultieme waarheid kon rijmen met dit soort dingen. En wat was de metafysische waarheid voor die boer? “Overal worden fouten gemaakt,” antwoordde Jakov. “Dat hoort er nu eenmaal bij; dat kun je niet vermijden.” Dat vond ik een onbevredigende reactie. Stel dat die boer de weg over wilde steken om naar zijn olijfgaard te gaan, en een soldaat zou hem aanhouden – wat zou zijn God dan van die soldaat vinden? Toen antwoordde Jakov: “Tja, daar kan die soldaat ook niets aan doen. Hij krijgt die opdracht van zijn meerdere.”

Dat vond ik ook weinig steekhoudend. En ik wilde hem perse bereiken. Wetende dat ik hoog spel speelde, zei ik: “Wat ik één van de ergste dingen van de Tweede Wereldoorlog vond was wat er gebeurde toen de legerofficiers na de oorlog berecht werden. De joden hadden zo veel geleden – en toch verdedigden sommigen zich door te zeggen dat ze alleen maar de orders van hun leidinggevende hadden uitgevoerd. Ik kan het niet begrijpen als mensen zulke dingen zeggen!” Toen antwoordde Jakov: “Nou ja, okee, eh – het hangt ook van zo veel factoren af of een soldaat die boer toe kan laten of niet! Daar kun je onmogelijk in het algemeen iets over zeggen!” Toen besloot ik het onderwerp maar te laten rusten.

Verwarring

Zo stonden we wel een uur te praten. Het werd donker, en toen werd het ook snel koud. Op een gegeven moment gingen we er dus vandoor. Jakov zei bij het afscheid op kalme en vriendelijke toon: “It was nice to talk to you all. Although we knew both from the beginning that we would never convince each other, it was good.” Ik bleef me erover verbazen hoe een man, die als mens zo zachtaardig was, onderdeel kon zijn van dit systeem. Dat deze vriendelijke, wat verlegen man kon wonen in een dorp dat tot stand gekomen was door Palestijnen van hun grond te verjagen. Dat hij kon vinden dat de mens steeds dichter naar de universele liefde en waarheid toegroeide – terwijl hij alleen bij zijn nederzetting kon komen door over snelle wegen te rijden die Palestijnse boeren van hun land afsneden. Terwijl er aan de andere kant van het zwaarbewaakte hek van de nederzetting zo’n armoede was, en – dikwijls – een tekort aan water.

In verwarring liepen we de nederzetting door, op weg naar de uitgang. Daar kregen we binnen de kortste keren een lift van een orthodox-joodse jongeman die shabbat bij zijn ouders had gevierd en nu weer huiswaarts ging. Hij reed in een mooie en moderne auto. Langs comfortabele, uitstekend onderhouden autowegen zoefden we richting Jeruzalem. Achter de muren langs de weg wist ik Beit Sahour en Bethlehem. Maar het was geen optie om daar uit te stappen; de weg was volledig afgesloten van de omgeving. Via een kolonistencheckpoint kwamen we Jeruzalem binnen. Voor het eerst zag ik soldaten glimlachen en grapjes maken, terwijl ze in vlot tempo iedereen doorlieten.

We werden afgezet bij de buitenwijk Gilo. Toen liepen we naar het voetgangerscheckpoint voor Bethlehem, waar de soldaten onwillig en onbeschoft waren tegen de Palestijnen. Toen we erdoor waren, pakten we een taxi naar Bethlehem. In een krakkemikkige auto reden we over hobbelige en gehavende wegen. Beneden in de diepte kon je de kolonistenweg naar Jeruzalem zien liggen.

Van Bethlehem naar een nederzetting en weer terug. Hemelsbreed hadden we die dag een afstand van misschien twintig kilometer afgelegd. Hoe groot kan de kloof op zo’n kleine afstand zijn?

Responses

  1. Wat een indrukwekkende dingen maak je toch mee, zeg. Ben er iedere keer weer stil van.
    Het geeft ook een hoop om over na te denken, en zelfs om dingen te plaatsen in mijn omgeving en leefsituatie, hoe verschillend ook..

    Liefs Sofia

  2. Ha Sytske,

    De zondagmiddag gebruik ik om even bij te lezen in jouw weblogs. Leuk om mee te lezen over wat je zoal in je vrije tijd doet en wat er daarbij op je pad komt. Boeiend ook, dat je met zoveel mensen in contact komt.

    Het verhaal over het gesprek met de kolonist is één van de eerste wat meer inhoudelijke verslagen die je hebt geschreven en waarin je weergeeft dat je achter gedachten en beweegredenen van je gesprekspartner probeert te komen. Dat je daarbij kritisch bent, lijkt mij goed.

    Let je wel op dat je niet alleen kritisch bent naar Israeliers, maar óók naar Palestijnen? Vraag ook in gesprekken met hen kritisch door en volsta niet met een weergave van wat zij jou vertellen. Ik ben benieuwd wat voor verhalen dat gaat opleveren.
    Blijf schrijven! Margriet


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: