14. De olijvenpluk!

Vorig weekeinde was ik in Tel Aviv.  Dat is ongeveer drie kwartier met de bus vanaf Jeruzalem. Helemaal niet zo ver dus. Toch belandde ik in een totaal andere wereld.  Geen mens die vreemd opkeek toen ik mijn oerdegelijke, enkellange rok verruilde voor een kort huppelrokje. Ik nam een duik in de zee. Daarna frisbeeden we een tijd bij zonsondergang op het strand, terwijl een zachte zeewind om mijn blote benen blies. Later belandde ik in het leukste en best gesorteerde chocoladerestaurant dat ik ooit had gezien.  Wat leek de Westoever ver weg. Dit is een land van uitersten…

Na thuiskomst belandde ik alweer snel met beide benen in de Palestijnse zaak. Afgelopen week stond namelijk in het teken van de olijvenpluk. Er was een groep van zo’n zeventig man uit alle windstreken overgekomen om daar een handje bij uit te helpen. Het was een gemêleerd gezelschap. De helpers kwamen uit Europese landen zoals Zwitserland, Nederland en Scandinavië, maar ook uit de Verenigde Staten, Canada en zelfs Nieuw-Zeeland. Er zaten hippies tussen, wereldverbeteraars, christenen, studenten, gepensioneerden, bejaarden, werkelijk van alles.

Palestijnen weggehouden van hun olijfvelden

De reden van hun komst was niet alleen dat de Palestijnse boeren een extra helpende hand konden gebruiken. Wat vooral zwaar woog was dat het Palestijnen dikwijls moeilijk wordt gemaakt om bij hun olijfvelden te komen. Wanneer hun land in de buurt ligt van nederzettingen,  gebeurt het vaak dat Israëlische soldaten hen verbieden om hun eigen olijven te komen plukken. Bijvoorbeeld omdat de grond ter plaatse verklaard wordt tot Israëlisch gebied. Palestijnen mogen niet op Israëlische grond komen, dus zij hebben dan het nakijken. Het kan dan goed zijn als er een internationaal hulppeloton is, want hen durven de Israëliërs minder makkelijk de toegang te weigeren.

Mijn eerste dag plukken vond plaats op een merkwaardige plek. Vlakbij Bethlehem ligt een dorp waar alleen Palestijnen wonen, maar dat sinds een tijdje binnen de gemeentegrenzen van Jeruzalem valt. Omdat de dorpsbewoners, zo’n tweehonderd families, Palestijns zijn, hebben ze officieel toestemming nodig en moeten ze een checkpoint door voordat ze Jeruzalem in kunnen.  Maar op de Westoever kunnen ze ook niet zomaar komen, omdat ze officieel tot Jeruzalem behoren. Weliswaar lukt het hen meestal wel om – via een ander checkpoint – in Bethlehem te geraken.

Er is echter één maar: buiten de dorpsbewoners mag niemand hun dorp in. Ze kunnen dus geen familie en andere gasten ontvangen. Gastvrijheid is een heilige waarde in de Palestijnse cultuur; dit valt hen dus zwaar. Echter, ook artsen mogen hun grond niet betreden. Als er iemand ziek is en bijvoorbeeld naar het ziekenhuis in Jeruzalem wil, moet diegene zelfstandig naar het checkpoint zien te komen en maar hopen dat hij toestemming krijgt om naar het ziekenhuis te gaan.

Nieuwe weg snijdt boer van zijn boomgaard af

De boer voor wie we vorige week woensdag olijven gingen plukken, bezat bij dit dorp uitgestrekte olijfgaarden.  Daar kon hij echter niet meer bij. Waarom? Een jaar of twee geleden had de Israëlische overheid een nieuwe weg aangelegd om de naburige Israëlische nederzettingen rechtstreeks met Jeruzalem te verbinden. Deze was alleen voor Israëliërs toegankelijk.  Helaas liep de weg dwars door de velden van deze man. Hij had in principe geen toestemming om de weg over te steken. Weliswaar waren de Israëlische soldaten, die zich tweehonderd meter verderop in het checkpoint voor Jeruzalem bevonden, nu nog niet zo streng. De weg was namelijk nog niet officieel in gebruik genomen, aangezien ze elders nog bezig waren met de afronding. Maar de kans is groot dat hij in het volgende olijvenplukseizoen alleen nog van tien meter afstand naar zijn olijven kan kijken.

In een regenachtig en guur weer plukten we ongeveer tweehonderd kilo olijven voor hem.

Een sprookjesachtige plek

Vrijdag gingen we naar een boomgaard die grensde aan een nederzetting. Dit was werkelijk een paradijselijke plek. Zodra we de bus uitstapten, daalde er een vredige stilte op ons neer.  Algauw werd deze verbroken door nieuwsgierige Palestijnse kinderen die op ons afstormden. We liepen een stuk door de rotsachtige heuvels, die bezaaid waren met zandkleurige keien en lage struiken. Overal zag je olijf- en amandelbomen. En in de verte stegen er vrolijke geluiden uit de heuvels op. Het hele dorp was op de been om de olijfoogst binnen te halen, en ze maakten er een gezellige boel van. Ook was er vaak het gebalk van ezels te horen. De ezels waren nodig om de zware zakken met olijven over de rotsachtige hellingen naar huis te vervoeren.

Het was een prachtige wandeling naar de boomgaard waar we aan de slag zouden gaan. De zon scheen volop, de omgeving was sprookjesachtig mooi. Hoewel we de hele tijd langs de grens van een nederzetting liepen die hoog boven ons op de heuvel lag, hadden we geen last van Israëlische soldaten. Het enige vervelende moment was toen we op een zompig, groen grasveld stuitten. Hoezo groeide er hier ineens gras? En waarom was het zo vochtig? Je zakte er centimeters in weg; het leek wel een moeras. Wat bleek? Dit was het riool van de nederzetting. Zonder enige zuivering werd het rioolwater geloosd in een Palestijnse boomgaard. Het was toen ook meteen duidelijk wat de plakkaten grauw papier waren die overal aan de grond gekoekt waren.

Tja, dat was dus een kwestie van de schoenen goed afvegen, er niet te lang over nadenken en maar gauw verder lopen.

Het was heerlijk om in de stralende zon en op die onaardse plek, met in de verte overal de geluiden van vrolijke mensen en dieren, de olijven te plukken. Ook met de groep was het bijzonder gezellig. De olijven vlogen van de boom af! ’s Middags hadden we in het veld met een groep Palestijnen een picknick. Er werden pitabroodjes aangerukt, falafel, hummus, groenten, zatar en appels. Overheerlijk dus! Dat was echt genieten. Na het middageten gingen we weer naar de velden.

De dag vloog voorbij. Nadat we een gigantische lading olijven bij de boer hadden achtergelaten, togen we met een tevreden gemoed weer naar huis.

Geen olijven, wel gewapende Israëlische soldaten

Vol goede moed begaven we ons de volgende dag naar een olijfgaard die in de buurt van mijn dorp, Beit Sahour, lag. Ook dit veld lag in de buurt van een nederzetting.

Het was zo mogelijk nog mooier weer dan de dag ervoor. Iedereen had er echt zin in om weer flink de handen uit de mouwen te steken. Na een wandeling door rotsachtige, wat kale heuvels kwamen we in de buurt van een veld olijfbomen. In de verte kwamen er echter een stuk of drie gewapende Israëlische militairen aanlopen.  Ze naderden ons in hoog tempo. Eerst wilden ze ons meteen terugsturen. De nederzetting die zij bewaakten lag namelijk op hetzelfde niveau als de olijfvelden. Zo’n vijftig meter verderop kon je een paar kolonisten zien. Omdat het vrijdag was – sjabbat – droegen ze witte gewaden. Hun gebedskoorden wapperden in de wind.

De boer, die mee was, kon met behulp van zijn papieren laten zien dat dit ZIJN grond was. Toen mochten we er blijven. We begaven ons richting de bomen. Maar algauw kwamen we tot een onaangename verrassing. Er was hier geen olijf te  bekennen. Dat vormde een wel erg schril contrast met de ladingen olijven die we de dagen ervoor hadden geplukt. Het was onduidelijk waar dat door kwam. De kans was groot dat de kolonisten – ook al waren de bomen niet van hen – er hun slag al hadden geslagen. Of misschien hadden herders er hun schapen geweid. De boer mocht van de soldaten eerder dit jaar geen hekken om zijn bomen plaatsen, dus het kon ook zo zijn dat schapen of geiten in de lente de bloesems hadden opgevreten.

Tja, wat konden we doen? Niets. Er kwamen steeds meer soldaten aanrijden. Op een gegeven moment waren het er wel twintig. Samen vormden ze een cordon. Ondertussen kwamen de kolonisten ook naderbij. Iedereen in de groep wilde met hen praten. Sommigen waren oprecht boos en riepen kwaad waar de olijven gebleven waren; dat dit niet eerlijk was. Anderen probeerden hen op een positieve manier te benaderen en wilden op zo’n manier contact met hen maken. Dat laatste wierp aanzienlijk meer vrucht af. Toch gaven de soldaten ons op een gegeven moment te kennen dat we weg moesten wezen. Tja, toen kozen we maar eieren voor ons geld.

We zijn nog een stukje verder gelopen. Het was echter een zinloze missie. Na een stuk of twintig bomen hadden we met vijfentwintig man een half emmertje olijven vol. Bovendien werden we de hele tijd op de voet gevolgd door minstens zeven gewapende soldaten. Dat plukt ook niet echt lekker.  Tja, op een gegeven moment zijn we maar naar de plek gegaan waar we ons middageten zouden krijgen. We  hebben daar een tijd in het zonnetje zitten niksen. Maar dat was geen fijn luieren. Iedereen was met z’n gedachten bij het nuttige werk dat we hadden kunnen doen. En bij de olijven die de Palestijnse boeren moesten missen.

’s Middags ben ik met twee Engelsen teruggegaan naar de Israëlische nederzetting! Daarover kun je meer lezen op mijn volgende weblog.

Schaduw over de olijvenpluk

Gelukkig konden we de volgende dag wel weer flink aan de slag. Natuurlijk was het fijn dat we nu goed aan het werk konden. Maar de wetenschap dat het eigenlijk van Israëlische willekeur afhing of boeren hun eigen bomen konden oogsten – dat wierp een onbehaaglijke schaduw over deze zonovergoten dag.

Langs schilderachtige paadjes begaven we ons naar de velden. Op de achtergrond de wachttoren van de nederzetting.

Langs schilderachtige paadjes begaven we ons naar de velden. Op de achtergrond zie je de afrastering en wachttoren van de nederzetting.

In actie met de olijvenpluk!
Het werkte het makkelijkste om de geplukte olijven op een zeil te laten vallen. Het regende olijven!
Met een ezel werd de oogst over de rotsachtige heuvels naar de boerderij vervoerd

Met een ezel werd de oogst over de rotsachtige heuvels naar de boerderij vervoerd

Responses

  1. spannende verhalen, maar wees voorzichtig!
    gelukkig lees ik dat je nooit alleen bent, maar dat lijkt me ook niet verstandig.
    mama

  2. Wat een mooi verhaal weer… en exotische foto’s… weet je wel dat het hier vandaag sneeuwde? Je weet wel:

    ’t Hagelde en ’t sneeuwde en ’t was er zo koud,
    de rijp lag op de da-a-ken.
    Sint Jozef tot Mari-i-a sprak:
    Maria wat zullen wij ma-a-a-ken?

    Maar in Bethlehem sneeuwt het alleen in kerstliedjes denk ik?

    Hoop dat het je goed gaat en dat je genieten kunt!


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: